1996 zomer

De zomer van het jaar 1996 begon met een deceptie. Bjarne Gosse stond op de stoep met een map vol werk, maar mocht niet meedoen met de kunstmarkt. Niet omdat zijn schilderijen en tekeningen van onvoldoende kwaliteit waren, maar simpelweg omdat andere kunstenaars hem voor waren geweest met inschrijven. De organisatie was overspoeld. Er waren zoveel inzendingen dat er harde keuzes moesten worden gemaakt. Sterker nog: de markt leek zo verzadigd dat er voor de komende jaren een algehele stop werd ingevoerd voor nieuwe gezichten. Er werd in de stad simpelweg veel meer creatief werk gemaakt dan verkocht. Bjarne liep met een zwaar gemoed terug naar zijn atelier. Hij moest een ander plan verzinnen om zijn werken te exposeren en te verkopen. De muren van zijn woning kwamen op hem af.
In juli leek het geluk even te keren, of in elk geval te sluimeren. Een zonnige zomerdag bracht nieuwe dromen over een vervlogen verleden, vol van romantiek en zoet geluk. Bjarne liep naar de buurtwinkel, kocht een fles goedkope witte wijn en zocht de schaduw op. Geïnspireerd door de lome warmte schreef hij die middag een drietal gedichten over het zwoele, rusteloze leven in de grote stad.
Niet veel later viel er post op de mat. Emma stuurde een vertederende prentenkaart met de afbeelding van een jonge fluitist. Bjarne bekeek de kaart en las de achterkant. Hij moest flauwtjes lachen; ze was haar streken en haar scherpe humor nog niet verleerd. Het gaf hem moed.
Zelfs de mislukkingen in die weken hadden nog iets  wat vermakelijk was. Journalist Joop van Teil stuurde een bericht over een potentiële koper die grote belangstelling had, maar de man kwam op de afspraak niet opdagen. In plaats van te kniezen, besloot Bjarne die week een werk cadeau te doen aan een bevriende dichter. In ruil kreeg hij een kersverse gedichtenbundel. Toen Bjarne erdoorheen bladerde, stuitte hij al snel op een paar grove taalfouten. Kennelijk zagen ook professionele dichters wel eens iets over het hoofd. Het was lachwekkend, al knaagde er ook een twijfel: bestond de mogelijkheid dat de dichter het expres had gedaan, als een soort avant-gardistisch statement?
Tegen augustus begon de hitte in de stad te drukken, en daarmee ook de irritaties. Joshua Eenoog, die zichzelf net iets te vaak geniaal waande, gaf een solovoorstelling in het Vondelpark. Zijn podium was een omgekeerde sinaasappelkist, zijn spel een schoolvoorbeeld van chaos. Bjarne stond tussen het publiek, maar hield het niet vol. Halverwege de voorstelling keerde hij verveeld om. Het kon soms komisch zijn, dat theatrale ego van Joshua, maar Bjarne had er nu simpelweg genoeg van gezien.
Er zat niets anders op dan weer huiswaarts te keren. Onderweg in de brandende zon kwam hij Peter tegen, een vage kennis met wie hij ooit ergens koffie had gedronken. Peter vroeg plichtsgetrouw naar Bjarnes gezondheid.
"Alles gaat goed," verzekerde Bjarne hem, hoewel de muren van zijn atelier nog altijd vol onverkocht werk hingen.
Peter was een slimme man, een overlever in de stad. Hij huurde tegenwoordig een kamer in de Staatsliedenbuurt, in het huis van Kees de Vries—een man met wie Bjarne vroeger goed bevriend was geweest. Kees woonde daar in een levendige chaos met zeven katten en een oude herdershond, en had nu dus een huurder voor een van zijn kamers.
“Hoe gaat het eigenlijk met Kees?” vroeg Bjarne, benieuwd naar zijn oude vriend.
Maar Peter keek op zijn horloge, prevelde dat hij haast had en ging er snel vandoor. Ook terug naar huis, net zoals Bjarne.
Thuis bood de telefoon geen ontsnapping. In de gang rinkelde het toestel: zijn bezorgde moeder. Maar moeder Gosse belde niet uit oprechte bezorgdheid om Bjarne; ze zocht louter een publiek om haar eigen verhaal kwijt te kunnen. Wat volgde was een minutenlange monoloog vol geestelijke armoede en lichamelijke ellende. Het vaste recept. Och, wat werd ze gegijzeld door de zorgen over haar jongste zoon Tom. Tom, die met zijn schizofrene wanen het hele gezin probeerde te claimen en te manipuleren. Bjarne luisterde, knikte mechanisch tegen de hoorn en voelde de energie uit zijn lijf stromen.
Alsof de sfeer binnenshuis nog niet beklemmend genoeg was, kreeg het pand die weken een nieuwe bewoner. Op de tweede verdieping nam een man zijn intrek die al snel de rust verstoorde. De buurman leed aan een neurotische tik die vreemde, indringende geluiden veroorzaakte. Dwangmatig neuriede hij allerlei monotone melodieën. Zo hard, zo ziekelijk en hardnekkig, dat de sombere tonen dwars door de dunne muren heen klonken. Er was geen ontsnappen aan.
De zomer van 1996 eindigde uiteindelijk exact zoals die begonnen was: met een deceptie. Toen Bjarne naar buiten liep om de herfstwind te trotseren, trof hij bij het rek een bekend tafereel aan. Opnieuw had het Amsterdamse dievengilde het op zijn prachtige herenfiets gemunt. Alleen zijn achterwiel vond hij terug; dat zat met het loodzware slot nog keurig aan het metalen rek vast. De rest van de fiets was verdwenen.

Add comment