De maand september 2005

Bjarne keek naar het grote linnen doek tegen de muur van zijn krappe kamer in de Baarsjes. Het moderne stadsgezicht was voltooid. De olieverf was droog genoeg om vervoerd te worden naar het kantoor van Berends zakenvriend. Het gaf Bjarne een zeldzaam gevoel van voldoening, een tastbaar bewijs dat de zomer niet geheel vruchteloos was geweest.

Met Berend ging het langzaam beter. De antibioticakuur tegen de ziekte van Lyme sloeg aan. De hevige duizeligheid maakte plaats voor een herwonnen scherpte, al bleef de vermoeidheid als een grijze sluier op zijn schouders rusten. Het Troebel Water Collectief bleef intussen door sluimeren in de marge van de Amsterdamse kunstwereld; Bjarne hield bewust afstand van de interne ruzies en de eindeloze artistieke discussies. Zijn focus lag ergens anders.

Zijn digitale pen had hij namelijk weer opgepakt. Het gedicht Fluisterwind, dat hij als een verrassing voor Frida had geschreven, was geplaatst op Het Blijvertje. De reacties waren overweldigend. Frida Fluisterwind had geantwoord met een tederheid die Bjarne al in geen tijden meer had gevoeld. De digitale complimenten stroomden weer binnen, maar de sfeer op de site bleef hem tegenstaan. Manuela Louisse bleef onbereikbaar op haar troon van melancholie, omringd door haar horde imitatoren. Bjarne besefte dat zijn herwonnen dichterschap een vluchtig anker was.

Ondertussen viel er in Utrecht een vroege herfstschaduw over het gezin Boter. De Bengaalse kat zorgde voor de broodnodige levendigheid in de huiskamer, springend van de vensterbank naar de boekenkast, maar de realiteit was onbarmhartig. Emma’s ademhaling werd zwaarder. Het negeren van de doktersadviezen eiste zijn tol. Jan zat urenlang zwijgend aan zijn schrijftafel, starend naar een lege pagina. Zijn eigen schrijven was verlamd door de naderende onafwendbaarheid van haar ziekte. Hij paste zich aan haar ritme aan, een ritme dat steeds trager werd.

Bjarne besloot die avond, met het geld van de schilderijopdracht op zak, een goede fles rode port te kopen. Terwijl de septemberwind tegen de ruiten sloeg, schonk hij een glas in. Hij dacht aan Utrecht, aan het fragiele geluk van Emma en Jan, en opende de pagina van Het Blijvertje. De drang om te schrijven was terug, maar niet meer voor de massa. Alleen nog voor de weinigen die werkelijk luisterden. Frida Fluisterwind was blij met het fraaie gedicht dat Bjarne speciaal voor het Blijvertje had geschreven.

De septemberwind die tegen de ruiten van Bjarnes kamer sloeg, gierde diezelfde avond door de straten van Utrecht. In het huis van de familie Boter bracht de herfstbries geen verkoeling, maar een drukkende benauwdheid. Emma’s ademhaling, die de afgelopen weken al zwaarder was geworden, sloeg die nacht hoorbaar om. Het raspende geluid vulde de slaapkamer en maakte pijnlijk duidelijk dat het negeren van de doktersadviezen de reserves van haar lichaam in sneltreinvaart had uitgeput. De Bengaalse kat sprong niet langer wild over de meubels; het dier lag roerloos en waakzaam aan haar voeteneind, alsof het de ernst van de situatie begreep.

Jan Boter zat met opgetrokken schouders aan zijn schrijftafel. De verlamming in zijn vingers maakte die nacht plaats voor een nerveuze, bijna bezeten drang om te handelen. Hij schreef geen fictie meer. Met een trillende hand noteerde hij flarden op losse bonnetjes en in de kantlijnen van de krant: de exacte tijdstippen van haar ademnood, de kleur van haar huid in het schijnsel van de bedlamp, en de weinige, koppige woorden waarmee ze de zware medicatie bleef weigeren. Het documenteren van haar achteruitgang was het enige anker dat hij nog had om niet te bezwijken onder de naderende realiteit.

In Amsterdam zette Bjarne zijn glas port met een zachte tik neer. Het scherm van Het Blijvertje lichtte op met nieuwe, lovende reacties op zijn gedicht, maar zijn blik gleed direct naar het korte, houterige bericht dat Jan hem zojuist had gestuurd. De rauwe werkelijkheid uit Utrecht sneed dwars door de melancholische, digitale bubbel waarin hij die avond had willen schuilen. Het voltooide stadsgezicht aan de muur en het verdiende geld verloren op slag hun glans. Bjarne sloot de webpagina, trok zijn jas aan en wist dat hij de Baarsjes nog diezelfde nacht moest verlaten om de trein naar Utrecht te nemen.

De treinreis was een aaneenschakeling van flitsende lichten en reflecties in het donkere treinraam. Bjarne staarde naar zijn eigen spiegelbeeld terwijl de septembernacht aan hem voorbijtrok. De onrust in zijn lijf werd groter naarmate het Centraal Station van Utrecht dichterbij kwam. Met elke kilometer die hij aflegde, nam de afstand tot zijn veilige kamer in de Baarsjes toe. Toen hij uiteindelijk door de lege, kille straten naar het huis van de familie Boter liep, voelde hij de septemberwind tegen zijn gezicht.

Jan Boter deed de deur open. Zijn gezicht was getekend door de slapeloze uren en de schrik in zijn ogen was direct zichtbaar toen hij Bjarne op de stoep zag staan. Voordat Jan iets kon zeggen, klonk er echter een stem vanuit de schemerige gang. Emma stond daar, steunend tegen de deurpost van de woonkamer. Haar ademhaling was schor en zwaar, maar haar blik was pijnlijk scherp. Ze keek Bjarne recht in de ogen en schudde langzaam haar hoofd. Ze zei dat hij direct weer kon vertrekken. Ze wilde hem niet ontvangen en maakte met een ijzige, breekbare stem duidelijk dat hij absoluut niet welkom was.

Bjarne bleef als aan de grond genageld op de drempel staan, terwijl de Bengaalse kat geruisloos achter Emma langs glipte. De afwijzing hing als een loden deken tussen hen in de deuropening. Emma duldde geen tegenspraak en trok zich langzaam terug in de schaduw van het huis, Jan ontredderd achterlatend bij de open voordeur.

Bjarne Gosse keerde de voordeur de rug toe en liep met snelle, mechanische stappen weg uit de stille straat. De afwijzing van Emma brandde nog na op zijn wangen, maar de realiteit van de septembernacht dwong hem tot logisch denken. Op Utrecht Centraal bleken de schermen onverbiddelijk: de laatste trein naar Amsterdam was al vertrokken. Gestrand in de stad die hem zojuist had uitgespuwd, zocht hij beschutting in het eerste het beste bruine café dat nog licht uitstraalde.

Bjarne bestelde een dubbele port aan de bar en trok zich terug in een donker hoekje achterin de zaak. Zijn handen trilden nog licht toen hij het glas naar zijn lippen bracht. De warme, zoete alcohol deed weinig om de bittere smaak van Emma’s woorden te verdrijven.

Bjarne schoof zijn glas port opzij en griste een kartonnen bierviltje van de houten tafel. De drang om te schrijven was plotseling geen vlucht of spel meer; het was een bittere noodzaak om de kou van de Utrechtse stoep uit zijn lijf te krijgen. Hij trok zijn pen uit zijn jaszak en zette de punt met een harde haal op het karton.

Bjarne las de regels nog eens over. Het was een waardeloos gedicht, dat besefte hij meteen. Het was gekunsteld en miste de echte diepgang van zijn betere werk, maar de handeling zelf had hem tenminste een vluchtig moment van voldoening gegeven. Het had de druk even van de ketel gehaald.

Die flard van rust verdween op slag toen hij opkeek van het viltje.

Aan de andere kant van de bar, leunend tegen een houten pilaar, stond Maarten Wolvenknaap. In volle glorie. Maarten was luidruchtig aan het babbelen met de barman, zijn jas losjes over de barkruk gegooid, een glas bier stevig in de hand. Hij was het type dat overal de ruimte opeiste, zelfs in een anonieme Utrechtse kroeg diep in de nacht.

Bjarne trok zijn schouders instinctief op en hield zijn hoofd laag. Maarten in Utrecht, op dit onmogelijke uur? Dat kon geen toeval zijn.

Bjarne keek snel weg en hoopte dat de schaduw van de hoekbank hem dekte. Maarten Wolvenknaap was een intrigant, iemand die altijd precies wist wie hij moest manipuleren om er zelf beter van te worden. Zijn jaloezie op de relatie van Jan en Emma was subtiel maar diep; hij kon de oprechtheid tussen die twee niet uitstaan. Daarnaast had hij nog een appeltje te schillen met Bjarne, die hij in de literaire wandelgangen steevast neerzette als een naïeve amateur die dacht dat hij met een paar online gedichtjes serieus genomen moest worden.

Maarten nam een slok van zijn bier, keek nonchalant de zaak rond en bleef met zijn blik aan Bjarnes tafeltje hangen. Er flitste een blik van herkenning over zijn gezicht. Hij knikte kort, liet zijn glas op de bar achter en liep met zijn handen in zijn zakken op Bjarne af.

Maarten bleef aan de rand van de tafel staan, keek neer op het vol gekrabbelde bierviltje en schoof toen zonder te vragen de houten stoel tegenover Bjarne achteruit. Hij ging zitten, leunde achterover met zijn armen over elkaar en keek Bjarne met een spottende blik aan.

"Kijk eens aan," zei Maarten, terwijl hij zijn stem bewust laag hield zodat de barman het niet kon horen. "De grote romanticus van Het Blijvertje, helemaal alleen in een Utrechtse achteraf kroeg. Hebben de muzen je in de steek gelaten, Bjarne, of ben je simpelweg te naïef geweest om te begrijpen dat de deur in deze stad vannacht voor iedereen dichtblijft?"

Het was een openingsschot dat precies liet zien hoeveel Maarten al wist, of tenminste vermoedde, van de situatie bij het gezin Boter. Het gaf ook aan de de heer Wolvenknaap opnieuw in staat was om Bjarne te chanteren.

Add comment