Toespraak tot het plafond

ooit was de dolfijn een landdier
het wandelde rond en haalde adem
onder druk van de weersomstandigheden
werd de dolfijn in luttele millennia
richting het water gedreven
de eens volgroeide poten werden korter
en korter tot ze nagenoeg verdwenen
wat de dolfijn aan het bestaan
op het droge overhield waren de longen
evolutionair gezien is dat raar want
wat moet je daarmee onder water
vermoedelijk gaat het om een functie
die nuttig is zij het indirect - denk
bijv. aan lichaamshaar, blindedarm
staartbeentjes of in breder verband
het blijven voortbestaan van dichters -
misschien is het evolutionaire voordeel wel
dat het de dolfijn in staat stelt van tijd
tot tijd aan de oppervlakte te komen
boven het water uit te springen
en een blik te werpen op de blauwe
of sterren- of wolkenlucht
en de kust

---------------------------------------------
uit: 'Bij eb is je eiland groter', 2010.

 

Schrijver: K. Michel

 


 

Helemaal niets

 
Staande aan een modderpoel
kijk ik naar mijn glimmende schoenen.
Mijn regenjas is een bleke vlek in de nacht.
Een eind terug staat mijn fiets,
waarvan het licht kapot is.
Tot hier ben ik helemaal gekomen.
Ik weet niet waarvoor.
Eigenlijk weet ik helemaal niets.
Ik weet ook niet wat ik wil.
Er blijft dus weinig over.
En wanneer ook u niets blijkt
te zijn of wanneer u zelfs niet bestaat,
wat dan?

 

 

Kees Ouwens ( Uit: Arcadia 1977).

 

 


 

 

 

 

 


 

 

 

Biologie voor de jeugd

 

Hoofdhaar is een knolgewas.
Jij hebt knolletjes in je huid,
Taai en herfstachtig gras
komt daar geregeld uit.
En ieder knolletje is een knoest
van o wel duizend cellen.
Studeerde je histologie
dan moest je die allemaal tellen.
Ik echter zeg alleen maar dit:
dat onder haar en schedelbeen
een buidel hersencellen zit,
en dat daarvan één cel alleen
wel duizend gedachten wekt.
(Dit vriend zij u ten teken
dat een en ander wel eens lekt;
wij spreken dan van Spreken.)
Eén haartje uit je wonderhoofd
gerukt, ware zij uit je brein ontsproten,
zou je dus van een knol ter grootte
van een miljoen gedachten
hebben ontroofd;
en kon ik je zachte hersenen strelen
zoals ik nu je kruintje strijk,
dan stond wat je nu voelde gelijk
aan tien biljoen tafrelen.

Ontstelt u dus zulk vergezicht,
houd dan uw schedeldoosje dicht.

--------------------------------------
uit: 'Gedichten 1946-1984', 1985.

 

Schrijver: Leo Vroman

 

 


 

 

Vrede

Komt een duif van honderd pond,
een olijfboom in zijn klauwen,
bij mijn oren met zijn mond
vol van koren zoete vrouwen,
vol van kirrende verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaalt ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

Sinds ik mij zo onverwacht
in een taxi had gestort
dat ik in de nacht een gat
naliet dat steeds groter wordt,
sinds mijn zacht betraande schat,
droogte blozend van ellende
staan bleef, zo bleef stilstaan dat
keisteen ketste in haar lenden,
ben ik te dicht en droog van vel
om uit te zweten in gebeden,
kreukels knijpend evenwel,
en 'vrede' knarsend, 'vrede, vrede'.

Liefde is een stinkend wonder
van onthoofde wulpsigheden
als ik voort moet leven zonder
vrede, godverdomme, vrede;
want het scheurende geluid
waar ik van mijn lief mee scheidde
schrikt mij nu het bed nog uit
waar wij soms in dromen beiden
dat de oorlog van weleer
wederkeert op vilten voeten,
dat we eigenlijk al niet meer
kunnend alles, toch weer moeten
liggen rennen en daarnaast
gillend in elkanders oren,
zo wanhopig dat wij haast
dromen ons te kunnen horen.

Mag ik niet vloeken als het vuur
van een stad, sinds lang herbouwd,
voortrolt uit een kamermuur,
rondlaait en mij wakker houdt?
Doch het versgebraden kind,
vuurwerk wordend, is het niet
wat ik vreselijk, vreselijk vind:
het is de eeuw dat niets geschiedt,
nadat eensklaps, midden door het huis,
een toren is komen te staan van vuil,
lang vergeten keldermodder,
snel onbruikbaar wordend huisraad,
bloedrode vlammen en vlammend
rood bloed, de lucht eromheen behangen
met levende delen van dode doch
aardige mensen, de eeuwige stilte voor-
dat het verbaasde kind in deze zuil
gewurgd wordt en reeds de armpjes
opheft.

Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

 

Leo Vroman

 

 

 


 

 

 

 

Alsof je er niet bent

 

Zoals er eerst een onbekend geluidje start
zonder dat je schrikt,
zo wil ik dat je reageert
en poëzie klinkt.
Het verzetten van een stoel,
hanengekraai,
blurpen van een onvermoede afvoer,
de kuch van een ziek kind
naast je op een bank.
Ook als het stormt
versnelt, verhevigt de wind.
Van jou verlang ik het
omdat ik je het dichtst in mij voel
wanneer ik net kan doen alsof.

-----------------------------------------------------
uit: 'Het wasgoed van een onbekende jongen', 1999.

 

Schrijver: Willem de Geus


Een stuk taart

Je bent maar weinig ouder geworden, geloof ik,
de stap van je metgezel is aarzelend, zo is de gezondheid ook,
de tijd is voorbijgegaan, maar niet als vergelijking,
zij is echt voorbij, als een kleine kop koffie,
een stuk taart, dat men heeft opgegeten,
of misschien weggegooid.

Je bent maar weinig ouder geworden, geloof ik,
je vijfenzestigste verjaardag is geen grap,
maar wel grappig, want de tijd is voorbijgegaan,
als een kleine kop koffie, en we leven nog steeds.
Aarzelend. Maar zo is de gezondheid. Dit heb ik
toch al gezegd.

Ik ben ouder geworden dan jij, in vijfenzestig jaar.
Hoe ben je niet veranderd?
Hoe is je metgezel niet veranderd?

Een gedicht is niet genoeg voor een leven. Maar meer mag je
niet van me verwachten,
het is warm, ik weet niet genoeg. Ik ben veel vergeten.
Laten we het stuk taart opeten, want je bent
weinig ouder geworden.

---------------------------------------------
uit: 'Waar hij zijn jas hangt', 2006.

Schrijver: Rogi Wieg

 


 

 

 

 

 

 

 

 


ONDER VREEMDEN

Het speelt het liefste ver weg op het strand,
het kind dat nooit zijn eigen vader ziet,
die overzee is in dat andere land.

Het woont bij vreemden en het went er niet.
Zij fluisteren erover met elkaar.
Heimwee huist in zijn kleren en zijn haar.

En altijd denkt het dat hij komen zal:
Vandaag niet meer; maar morgen, onverwacht -
en droomt van hem en roept hem in de nacht.

Ik wacht u, Vader van de overwal.

---------------------------------
Het sterreschip (1980)

Schrijver: Ida Gerhardt


 

'Zal ik nog een eindje met je meelopen?'

 

Ja hoor. Je mag meelopen tot het stoplicht,
of tot de eerstvolgende tunnel.
Tot de derde straat rechts,
tot de ingang van het park.
Tot bij het ziekenhuis, tot voorbij
het ziekenhuis, tot aan mijn huisdeur.

Je mag meelopen tot in mijn kamer,
tot het glaasje van het een of ander,
tot ik mijn tanden heb gepoetst
of tot het eerste ochtendlicht
over de stoel met kleren valt.

Tot de bouwvakkers aan het werk gaan,
tot de school weer is begonnen,
de ambtenaren pauze houden
de winkels zijn gesloten
of tot de laatste stoptrein gaat.

Tot na het ontwaken maar voor het ontbijt,
tot na het ontbijt maar voor de lunch,
tot na de lunch maar voor het avondeten
mag je meelopen.

------------------------------------------------------
uit: 'Genoeg gedicht over de liefde vandaag', 1999.

 

Schrijver: Hagar Peeters

 

 

T IS KUNST TE LEVEN

 

Zie, hoe de wereld gaat: waar twee gezellen vissen:
Heeft dikmaal een het nut, en d’ander moet het missen:
Een lacht er in de vuist, gans blijde met de vang,
En d’ander schreit er om, en jammert uren lang;
Daar is een zeker greep om dit en gint te raken,
Niet ieder is bekwaam tot allerhande zaken;
Wat dezen heeft verrijkt, heeft genen uitgeput,
’t Was ieder even na, maar geenszins even nut.

 

Sinne- en minnebeelden

 

Schrijver: Jacob Cats

 


 

 

Narcisme

Wat, in godsnaam, heb je uitgevoerd? Heb je - ten
minste - je dag geboekstaafd? Heb je alsnog

geboekstaafd - de volgende dag - de niet geboekstaafde
vorige onder vermelding? Ben je tekortgeschoten (in

gebreke gebleven, nalatig geweest, laakbaar) op stuk
van plicht, regelmaat, tucht, zelfverachting? Heb je - met

niet aflatende verwerping - in het werk gesteld alles
om de beperkingen van milieu, erfelijkheid, voor-

land, noodlot die aan het daglicht traden klemmender
naar de mate van je verzuim

en die je mes
op de keel zetten in een slop, te overwinnen?

--------------------------------
uit: 'Ben jij het ik?', 2006

Schrijver: Kees Ouwens


 

Ik denk aan U



Gij mergelende dronkaards
wáárheen voert uw weg?
Uw huid bespant uw jukbeen
elke dag weer strakker.

'k Las wél dat Bacchus was
een joviale knaap
belust op dans en zang,
maar toch geen wreed tiran, een makker,
en geen kwelgeest.

Ik denk aan U
o mergelende dronkaards
die uw lach te vroeg verleerd hebt
en wier vlees, door ziekt' of ander ongemak,
verteert tot gij uw ‘Nooit meer’
nooit meer zweert.




Schrijver: Jan Hanlo

 


 

 

 

 

Jonge liefde

 

kom met de wind
door de canyon, mijn liefste!
fluister je woord in mijn oor!
zeg dat ik je man ben
aan wie jij je
wilt toevertrouwen!

wachten wil ik nu niet langer
op wat winderige woorden
'k wil je mond zien
en die kussen.
vergarend langs de rotsen
vliegt mijn gedachte naar je toe.

hier, ver weg van jou,
gedij ik net zo min
als de kleimais
die in het zand groeit.
laat me bij je mogen komen.

 

 -------------------------------------------

 

  Schrijver: Catharina van der Linden

 


 

Brieven uit het buitenland

 

 

Ik kom van elders, elders, maar vanwaar?

Een emigrant, de opdracht ging verloren,

onwennig ligt de taal mij in de oren,

ik praat en loop en werk en speel het maar.

 

 

Ik woon in deze stad al menig jaar,

ging langer, korter onder andre torens,

lag ziek in Zuid, ging jeugdig door het Noorden,

ik adem, ik bemin en droom het maar.

 

Waarom herhaaldelijk de wet vergeten,

en zoveel codes, wegen nimmer weten?

Staat de verhuisman om de hoek al klaar?

 

Ik ben van ongeschreven post bezeten,

brieven bij nacht, van thuis. Ik lees en staar.

Van elders komen ze, god weet van waar.

 

Max Dendermonde

 

 

Drie gedichten : door niets gedeeld

 

 

Fotografie

Hedennacht heb ik bij je verwijld.
Maar de plaats is alweer vereelt.
Je lag op de vloer, languit.
We hebben samen gespeeld
in een diepte, door niets gedeeld.
M'n armen pasten nog om je heen
en mijn hand gleed over het origineel,
waar de foto van is vergeeld.
Het heeft weinig gescheeld
of ik ging nimmermeer heen,
zo in het gebeuren vastgehaakt;
tot eenzelfde negatief gemaakt,
onder het droomlicht dat ons bescheen.


Gerrit Achterberg (1905-1962)

 

 

 


 

 

Jasje

 

Alle seizoenen waren harde winters.
Zou ze zich verborgen hebben in dit bontjasje
dat hij ooit met liefde gewatteerd
om haar smalle schouders had gelegd?

Zou zij zo de kou hebben kunnen weren
van al die landverhuizingen en andere doden,
van de angst en de grimmige wortels
zodat ze zacht zou vallen als ze zou vallen?

Zou ze op een dag
in dit jasje
de oneindige koude
zijn ingedoken?

Je bewaart het, bladert het door: de mouwen,
het haast onvindbare sluitinkje, de kraag;
het ding slijt, rafelt, vervaalt als een veelgelezen boek.

Je schudt met de mot de tijd eruit
en vult het op met je eigen lijf
al durf je zo de straat niet op.

Niemand weet dat het jasje
van geverfd konijn is
en niet van nerts.

 

 

Jana Beranová

 


 

 

 

Gekooide vogel

 

 

De vrije vogel hipt

op de rug van de wind

en drijft stroomafwaarts

tot de stroom eindigt

en hij doopt z'n vleugels

in de oranje zonnestralen

en durft het zwerk op te eisen.

 

 

Maar een vogel die rondhipt

in z'n nauwe kooi

kan zelden door

zijn tralies kijken uit woede

hij is gekortwiekt en

z'n poten zijn gestrikt

en daarom opent hij de keel om te zingen.

 

 

De gekooide vogel zingt

met een angstaanjagend tremolo

van de onbekende dingen

waar nog steeds naar verlangd wordt

en z'n deuntje wordt gehoord

op de verre heuvel

want de gekooide vogel

zingt van vrijheid.

 

 

 

De vrije vogel denkt aan een andere bries

en de zachte passaatwinden (?) door de zuchtende bomen

en de vette worm wacht op een daghelder gazon

en noemt het zwerk het zijne.

 

 

Maar een gekooide vogel staat op het graf van dromen

z'n schaduw uit een nachtmerrieachtige kreet

hij is gekortwiekt, z'n poten zijn gestrikt

daarom opent hij de keel om te zingen

 

De gekooide vogel zingt

met een angstaanjagend tremolo

van de onbekende dingen

waar nog steeds naar verlangd wordt

en z'n deuntje wordt gehoord

op de verre heuvel

want de gekooide vogel

zingt van vrijheid.

 

 

 

Maya Angelou

 

Toch wordt het lente

 

En tóch geloven dat het lente wordt,
al valt de koude regen neer in stromen
op kale, zwarte takken van de bomen;
al zijn de dagen lichteloos en kort.

En tóch geloven dat de zon het wint,
al houdt ze zich soms dagenlang verborgen;
zoals een mens,in ’t donker van de zorgen,
soms plotseling een zonnig plekje vindt.

En tóch geloven dat ’t gezaaide graan
ontkiemen zal in koude, zwarte aarde;
zoals God in Zijn Zoon Zich openbaarde:
Die leeft, maar uit de dood is op gestaan.

 

 

 

Nel Benschop

 

 

 

 

 

Als ik doodga

Als ik doodga
hoop ik dat je er bij bent
dat ik je aankijk
dat je mij aankijkt
dat ik je hand nog voelen kan

Dan zal ik rustig doodgaan
Dan hoeft niemand verdrietig te zijn
Dan ben ik gelukkig.

Schrijver: Remco Campert

 

 

 

Deuren

 

 Elke dag
worden duizenden mensen geboren
elke dag
gaan duizenden mensen dood

Elke dag vrijen duizenden
met andere duizenden
en moorden enkelingen
duizenden uit

Elke dag zoek ik naarstig
naar mensen
en ga
met mijn kop
door duizenden muren

------------------------------------------
Uit: 'Geen Hemel zo hoog', 1983.

 

Schrijver: Jana Beranova

 

 

 

 

Hart

Het diepste houd ik van hem over,
wat ik zeg verzwijgt zijn taal.
Hij draagt zijn hart in mij
het haast mij dagelijks voort.

Wij praten en hij knikt bij nee,
hevig verkeerd. Drank zuipt hem op.
Om oude grappen lacht hij nog
de lach die ik verstop.

Later staat hij scheef
voor zijn huis en wuift altijd.
Ik rijd mij gehaast van hem weg,
hij slaapt al in mijn hoofd.

 

Bernard Dewulf

 


 

Na zons-ondergang aan zee

 

Zonne stervend zonk in zee,-
en een wijde wade spreidde
op de brede kimme neer
't wolkenheer.

Eenzaam ruist de duistre zee,-
langs der duinen ruige kruinen,
als met droeve dodenklacht
zucht de nacht.

Eenzaam, eenzaam ruist de zee,
slaat de kuste zonder ruste,-
moeder aarde ligt alom
doods en stom.

Op het woelend vlak der zee
wislend dansen kille glansen-
starre lach der dode maan
staart mij aan.

Dreigend, dreigend druist de zee!-
'k Zie een grijze nevel rijzen-
komt uit 't grote zonnegraf
op mij af!

Red mij, red mij van de zee!
Red mij, aarde, die mij baarde!-
Vaal-gewiekte oneindigheid
naderschrijdt!-

 

Van 'de passielooze lelie' waarbij zijn opgenomen de "Enkele verzen"(1901)

 

Schrijver: Frederik van Eeden

 

Add comment