De maand januari 2003
Het was januari 2003 toen de winterkou over de Amsterdamse Baarsjes trok. Achter de ramen van zijn etagewoning was de sfeer voor Bjarne Gosse echter verre van sereen. Hij woonde inmiddels al dertien jaar in deze volksbuurt, nadat hij in de zomer van 1990 de Jordaan had verlaten, maar van echte rust was nooit sprake geweest. De muren van de oude woning waren flinterdun; al jarenlang drong de constante overlast van de buren en de gehorige straat ongevraagd zijn leefruimte binnen.
Die externe herrie versterkte de chaos in zijn eigen hoofd. Zijn leven was al die tijd hectisch en grillig, voortdurend beheerst door de zware tol van zijn mentale stoornis. Zijn schilderwerk in de woonkamer was geen vredige hobby, maar een intense, noodzakelijke uitlaatklep om grip te houden op de innerlijke onrust die hem dag en nacht achtervolgde.
Zelfs de diepe nacht bood nauwelijks troost. Wanneer hij uit het raam keek naar de straten rond het Mercatorplein, waar de tramrails glommen onder de felle lantaarns en de daken in de winterse nevel verdwenen, voelde de wereld buiten even gecompliceerd als zijn eigen gedachten. De dwalende zielen op straat weerspiegelden de rusteloosheid die hij zelf al dertien jaar met zich meedroeg.
Juist in die kwetsbare, overprikkelde ambiance bezorgde de postbode die charmante brief van Maarten Wolvenknaap. De nostalgische woorden over hun gezamenlijke Utrechtse nachtleven in de jaren tachtig brachten geen warme herinneringen, maar sloegen in als een bom. Tussen de muren van de gehorige woning, te midden van de dagelijkse overlast en de maalstroom van zijn mentale stoornis, opende de brief een sluis naar een turbulent verleden vol onverwerkte intriges.
Het opende niet alleen een sluis naar oude intriges rond heren zoals Gerard Vroeg en Jan Boter, maar triggerde ook direct een dwingende stroom van andere paranoïde gedachten.
Bjarne werd al langer achtervolgd door de dwingende post van andere vrouwen uit zijn verleden. De brieven van zijn ex-geliefde Trudy, die haar eigen chaotische belevingswereld ongevraagd op hem projecteerde, voelden in deze gehorige muren als een intellectuele wurggreep. In zijn getormenteerde geest smolten de woorden van Maarten samen met de herinneringen aan Trudy en de manipulatieve, erudiete claims van zijn voormalige hospita Emma. Elke nieuwe envelop die door de brievenbus viel, voelde voor Bjarne als een gecoördineerde inbreuk op zijn wankele autonomie. Te midden van de buurtgeluiden en zijn mentale worsteling werd januari 2003 de maand waarin de dwingende stemmen van de vrouwen uit zijn verleden zijn Amsterdamse schuilplaats definitief overnamen.
Tussen de flinterdunne muren van de gehorige woning in de Baarsjes voelde Bjarne de hete adem van Trudy en Emma verstikkend in zijn nek hangen. Het waren intellectuele, verbaal superieure vrouwen die in zijn beleving met zijn beperkte intellect hadden gespeeld alsof zijn brein hun persoonlijke speelgoed was. Hun brieven en dwingende claims waren geen gewone post, maar psychologische spelletjes die zijn getormenteerde geest gijzelden. Terwijl de geluidsoverlast van de buurt door de kamers denderde, voelde Bjarne zich door hun erudiete dominantie intellectueel volledig in de hoek gedreven en misbruikt.
Met woeste verfgebaren op maagdelijke schildersdoeken probeerde hij te ontsnappen uit de dwang van de realiteit. De felle streken en dikke lagen verf waren zijn enige wapen tegen de verstikkende intellectuele dominantie van Trudy en Emma. Op het witte linnen hoefde hij niet verbaal superieur te zijn; daar regeerde zijn eigen emotie, ver verheven boven hun manipulatieve brieven en de constante geluidsoverlast van de Baarsjes. Het canvas bood hem een tijdelijk, gewelddadig asiel waarin zijn getormenteerde brein eindelijk geen speelgoed meer was van een ander.
Zijn blik dwaalde af naar de tafel, waar de brief van Maarten Wolvenknaap nog altijd onbarmhartig lag te wachten. Zelfs de dikke lagen verf op het doek konden de aanwezigheid van dat glanzende papier niet maskeren. Maarten bracht met zijn charmante handschrift de herinneringen aan het Utrechtse nachtleven van de jaren tachtig pijnlijk dichtbij. Het was de genadeslag in zijn overprikkelde brein; de brief vormde de brug waardoor de hete adem van Trudy en de intellectuele spelletjes van Emma samensmolten met de spoken uit zijn studententijd. Terwijl de muren van de gehorige woning de buurtgeluiden bleven doorgeven, besefte Bjarne dat hij de realiteit niet langer met een penseel buiten de deur kon houden.
De herinnering die de brief losmaakte, sleepte hem onbarmhartig terug naar het Utrecht van de jaren tachtig. In zijn getormenteerde geest flitsten de beelden voorbij van het broeierige nachtleven, waarin hij destijds dacht een vrij en creatief leven te leiden. Nu zag hij die tijd in een heel ander, angstaanjagend licht. Hij herinnerde zich de intellectuele cirkels rondom Gerard Vroeg en de manipulatieve Jan Boter; de plekken waar zijn brein, net als nu bij Trudy en Emma, ongemerkt het speelgoed was geweest van mensen die verbaal sterker waren dan hij. De nostalgie van Maarten was voor Bjarne een bittere herinnering aan zijn eigen kwetsbaarheid, een herinnering die destijds al de basis had gelegd voor de mentale chaos waarin hij nu, dertien jaar later in de gehorige Baarsjes, nog altijd gevangen zat.
Er schoot Bjarne één specifieke, broeierige nacht te binnen in een volgepakt Utrechts café, waarin de ware aard van hun vriendschap pijnlijk duidelijk was geworden. Maarten Wolvenknaap had hem die avond apart genomen, weg van het rumoer, en hem ijskoud gechanteerd met een geheim uit Bjarnes privéleven. Met een minzame glimlach had Maarten gedreigd dit geheim binnen hun intellectuele vriendenkring te grabbel te gooien, tenzij Bjarne hem een cruciale dienst zou bewijzen. Bjarne, die destijds al intellectueel overvleugeld werd en de situatie niet kon overzien, had geen andere uitweg gezien dan te zwichten voor de chantage. Die vernederende gebeurtenis had destijds een diepe kras op zijn ziel achtergelaten, en nu, dertien jaar later in de gehorige Baarsjes, besefte hij dat de nieuwe brief geen vriendelijk nostalgisch gebaar was, maar een subtiele herinnering aan de macht die Maarten nog altijd over hem dacht te hebben.